Tell-a-Friend Print pagina Terug
ENERGIEK EUROPA 2: Kansen mondiale emissiemarkt nemen toe
06-11-2009
De Europese Unie heeft met het oog op de klimaattop in december in Kopenhagen de wens geuit zo snel mogelijk, liefst vanaf 2015, een emissiehandelssysteem met andere OESO-landen op te zetten, dat daarna vanaf 2020 tot een mondiale emissiemarkt kan uitgroeien. Hoe ver staat het daar mee en wat voor haken en ogen ziet men bij het koppelen van emissiehandelssystemen.
Door Jos Cozijnsen (*)
Het emissiehandelssysteem dat de EU vanaf 2005 heeft opgezet, en inmiddels 27 Europese lidstaten en Noorwegen omvat, was bedoeld te worden gekoppeld aan credits in ontwikkelingslanden en emissiehandelssystemen in industrielanden. Een regeling in de Emissiehandelsrichtlijn maakt het gebruik van elkaars emissierechten mogelijk zodra de EU en het andere land elkaars systemen erkennen. Voordelen van koppeling zijn: groter potentieel aan reducties en beter vertrekpunt voor diepere reducties, en een groter ‘level playing field’ voor internationaal georiënteerde bedrijfstakken. Ook zou een grotere schaal minder CO2-prijsschommelingen geven en voorkomen dat grote bedrijven de markt gaan domineren. Maar toen de VS en Australië in 2001 afhaakten van het Kyoto-protocol , Canada geen actie meer nam en ook Japan spijt kreeg van Kyoto zonder de VS, kwam de klad in het koppelen van emissiehandelssystemen.
Ontwikkeling in Amerikaanse Staten
Een flink aantal staten in de VS zette inmiddels regionale
emissiehandelssystemen op. Zoals het Regional Greenhouse Gas Initiative (RGGI),
met voornamelijk energiebedrijven in Staten rond New York. Het plafond begint
met een 188 miljoen ton tekort t/m 2014; daarna verscherpt de reductie jaarlijks
2,5 procent tot 2018. Verder is er het Western Climate Initiative (WCI). Er
vinden regelmatig veilingen plaats. Van de emissies mag 10 procent afgedekt
worden met credits van buitenaf. Californië ontwikkelt een eigen
emissiehandelssysteem Assembly Bill 32: Global Warming Solutions Act vanaf 2011.
Het is gekoppeld met de WCI en een aantal Canadese provincies.
De Europese Unie probeerde deze systemen en bracht ze op een hoger plan door met
Californië en andere staten en provincies uit Australië en alle landen waar
emissiehandel is opgezet het International Carbon Action Partnership (ICAP) op
te richten (zie: www.icapcarbonaction.com). In dat forum bestuderen autoriteiten
hoe emissiehandelssystemen aan elkaar zijn te koppelen.
Daar is ook politieke wil voor nodig. Inmiddels heeft Australië Kyoto
geratificeerd, is Obama gekozen en is er een politieke aardverschuiving in
Japan. Hoe ver staat het met de mondiale emissiemarkt?
Naar een Amerikaanse emissiehandelssysteem
Het Huis van Afgevaardigden heeft in juni een wet aangenomen (Waxmen-Markey
Bill), voor een economiebreed emissiehandelssysteem vanaf 2012. De reductie in
2020 is 17 procent ten opzichte van 2005 en 83 procent in 2050. In oktober
hebben senators Boxer en Kerry een wetsvoorstel ingediend in de Senaatscommissie
voor Milieu en die van Buitenlandse Zaken en Handel: ‘Clean Energy Jobs and
American Power Act’. Het is een vergelijkbaar voorstel, met een hogere
doelstelling, 20 procent in 2020 ten opzichte van 2005. Dat is nog steeds lager
dan de EU, die voor de bedrijven 21 procent of 30 procent reductie wil in 2020
ten opzichte van 2005. De inspanningen van de deelnemende bedrijven (CO2-kosten)
zijn evenwel vergelijkbaar, wat een koppeling met het EU-systeem kan
vergemakkelijken.
Het Amerikaanse systeem omvat 85 procent van de Amerikaanse broeikasgasemissies.
Alle bedrijven die meer dan 25.000 ton CO2-equivalenten per jaar uitstoten
vallen eronder. Niet alleen industrie en energie; vanaf 2016 vallen ook de
productie, distributie en gebruik van gas eronder en de producenten en
importeurs van brandstoffen; dus ook luchtvaart. Voor de deelnemende bedrijven
zijn vanaf 2012 emissierechten beschikbaar ter grootte van 3 procent onder
2005-niveau. In 2005 had de hele VS meer dan 7 miljard ton aan emissies. Er zijn
nog geen regels voorgesteld voor allocatie en veiling van de emissierechten.
Beschikbare emissierechten
Er is 2 miljard ton emissierechten beschikbaar voor reducties van projecten in
niet-emissiehandelssectoren (bijvoorbeeld landbouw), die als offset gebruikt
kunnen worden. Men is niet van plan direct CDM-credits te gebruiken;
ontwikkelingslanden moeten meer actie ondernemen. Van de te gebruiken offsets
mag een bedrijf maximaal een kwart van de credits uit het buitenland gebruiken;
driekwart van de credits moet binnenlands zijn. De buitenlandse offsets mogen
gedeeltelijk komen door CO2-reductie door het beschermen van tropisch bos.
Bedrijven mogen ook emissierechten van een verplicht systeem elders gebruiken;
bijvoorbeeld vanuit de EU. Pointcarbon heeft berekend dat de jaarlijkse handel
in de VS in emissierechten en -credits 45 miljard dollar vanaf 2012 tot 300
miljard dollar vanaf 2018 zal bedragen.
Het schema van de emissieplafonds is als volgt:
In 2012, 3 procent beneden 2005 niveau: ruim 4,6 miljard ton emissierechten
In 2020, 20 procent beneden 2005 niveau: ruim 5 miljard ton (meer sectoren* )
In 2030, 42 procent beneden 2005 niveau, ruim 3,5 miljard ton
In 2080, 83 procent beneden 2005 niveau: ruim 1 miljard ton
* Vanaf 2020 zijn er meer rechten beschikbaar dan 2012, omdat sommige sectoren later meedoen. De totale plafonds scherpen dus wel steeds aan.
Onzeker is of en wanneer het systeem uiteindelijk wordt aangenomen, waarna het Congres een gezamenlijke wet vaststelt. Afgezien hiervan is het interessant te kijken of een koppeling met de EU mogelijk is.
Australië en Nieuw-Zeeland
Het ontwerp emissiehandelssysteem voor Australië is ook gericht op koppeling met
de internationale CO2-markt. Het begint in 2011 met een maximale CO2-prijs van
11 dollar/ton CO2 en een onbeperkt gebruik van CDM-credits. De wetgeving is nog
niet door het parlement, maar de regering hoopt dat het voor de klimaattop in
december lukt. Na ‘Kopenhagen’ worden de allocaties voor bedrijven
bekendgemaakt. Het bod voor de nationale emissies is -5 tot -25 procent in 2020
ten opzichte van 2000, afhankelijk van het mondiaal akkoord. Vanaf 2012 is een
volledige koppeling met de internationale markt zonder prijsplafond voorzien.
Australië wilde niet direct met de EU koppelen vanwege de relatief hoge
CO2-prijs van de afgelopen jaren. Diverse sectoren doen mee. Landbouwemissies
vallen er vanaf 2015 onder. Het Nieuw-Zeelandse emissiehandelssysteem begon in
2008 met bosbouw; industrie valt er vanaf 2010 onder. Men wil het systeem laten
samenvallen met de Australische. De doelstelling voor 2020 is -1 tot -20 procent
ten opzichte van 1990.
Japan
Bij de instelling van de nieuwe Japanse regering heeft premier Hatojama
aangegeven dat Japan in 2020 25 procent van zijn emissies gereduceerd wil hebben
en een emissiehandelssysteem voorbereidt vanaf 2011. Koppeling ook. Er draait al
een tijd een vrijwillig systeem met 500 bedrijven. Men kan gebruik maken van CDM
en projecten in eigen land. De premier heeft in oktober een CO2-doelstelling van
-25 procent in 2020 ten opzichte van 2005 afgekondigd, met gebruik van offsets,
als China ook in het akkoord meedoet. Ook kondigde hij een verplicht
emissiehandelssysteem aan. Tokyo zet vanaf 2010 een emissiehandelssysteem op.
Tot slot zijn er Mexico en India plannen om een binnenlands sectoraal
emissiehandelssysteem op te zetten. Zuid Korea’s Klimaatwet regelt vrijwillige
emissiehandel voor bedrijven.
Problemen bij koppeling
De koppeling van emissiehandelssystemen kan belemmerd worden wanneer:
het systeem van meten, verifiëren en handhaving van emissies te veel
verschilt;
de gerealiseerde emissiereductie niet gelijkwaardig is en de doelstelling te
veel verschilt;
het ene systeem meer off-sets toelaat of een lagere controle heeft.
Voor deze problemen zijn diverse oplossingen:
regeringen kunnen elkaars emissierechten eenzijdig danwel wederzijds erkennen;
een oplossing om inspanningsverschillen te ondervangen is het voeren van een
‘CO2-wisselkoers’, waarbij bijvoorbeeld 3 VS emissierechten evenveel waard zijn
als 1 Europese (een ‘discount’).
ook kan een markt zelf een oplossing vinden door verschillende CO2-prijzen toe
te kennen, zoals we dat nu zien in het verschil tussen prijzen voor CDM-credits
en emissierechten. Handelaren maken dan gebruik van arbitrage waarbij ze rechten
kopen van beide systemen of origine en dan gebruik maken van prijsvoordelen door
in de rechten te handelen of deze te ruilen (swaps).
Het ziet er naar uit dat een mondiale emissiemarkt in beginsel mogelijk is en de fundamentele elementen die daarvoor nodig zijn, steeds meer zichtbaar worden. Het kan regeringen helpen in december in Kopenhagen, wanneer ze onderhandelen over een mondiaal klimaatakkoord vanaf 2012.
(*) Jos Cozijnsen is consultant emissierechten, www.emissierechten.nl


